Home

16 sites te ontdekken

Erfgoed van

het dorp Halanzy

Mijn van Bois-Haut d'Halanzy

De mijn van Fays d’Halanzy

De schachten van Musson

De mijnbouw

Gedenksteen

Guy de Larigaudie

Grand Bois van Musson

150 jaar staal in Gorcy

De omschakeling van Gorcy

Het sterke ijzer

van Saint Pancré

Saint-Deniskerk

Het kruis van Saint-Denis

d’Houdlémont

De wastunnel

van Ville-Houdlémont

De beschermende boomgaard

van Ville-Houdlémont

Doodlopende straat van

de toren en de kerk

in Saint-Pancré

Bois de la Cure

in Saint-Pancré

Onze partners

FR

EN

|

|

DE

|

NL

MOEILIJKHEIDS-

GRAAD

TOEGANKELIJKHEID

Erfgoed van het
dorp Halanzy

Exploitatie en behoud van het mijnbouwerfgoed van de staalindustrie en het menselijke erfgoed van het dorp Halanzy

De uitputting van de nationale ijzerhoudende hellingen...

de hoge kosten van het transport van ijzererts van Luxemburg naar de bassins van de fabrieken van Luik en Charleroi... en de aanwezigheid van minette (oölitisch ijzererts) in de bodem van de gemeentes Halanzy en Musson vormen geschikte factoren voor de vestiging van staalbedrijven in Zuid-Luxemburg, om precies te zijn tussen Athus en Virton.. Vanaf 1869 is er sprake van een bouwproject van twee hoogovens tussen Halanzy en Musson. Koninklijke besluiten van 24 en 27 april 1870 kennen een vergunning voor 117 hectare in Halanzy toe aan de consorten Deschamps, Fromont en Delattre, en nog eens 42 hectare in Musson aan de gebroeders Dorlodot.

 

In 1876 wordt de spoorweg Athus-Signeulx in gebruik genomen, maar er zijn vele obstakels die de bouw van de zijlijn, die de winplaatsen verbindt met de spoorweg van de staat, in de weg staan.

 

De Zuid-Luxemburgse productie (Athus, Halanzy, Musson) van gietijzer bereikte 100.000 ton in 1885  en een maximum van 189.000 ton in 1904. Het gieten van gietijzer neemt tendentieus toe ten koste van het raffineren tot 1902 (64,8%) en verdwijnt vervolgens bijna volledig aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. In die tijd geeft de regionale staalindustrie werk aan 930 personen (staalindustrie, exploitatie van mijnen, spoorwegen en afgeleide activiteiten)

 

1880 evolutie richting de defosforisatie van het gietijzer, waardoor het verandert in staal. Sterke Duitse concurrentie. [...] Latere implementatie in het ijzerertswingebied van Longwy en Athus, maar niet in Halanzy en Musson.

 

1914-1918 : de stopzetting van de activiteiten in augustus 1918 wordt gebruikt voor het uitvoeren van reparaties, maar in 1917/18 verwijdert de ROMA (Rohstoff und Maschinenteilungstelle) al het koper en vervolgens het rollend materieel van de werkplaatsen en de objecten van de opslagplaatsen. Tijdens de wapenstilstand worden nagenoeg alle installaties vernietigd.

 

Tussen de twee wereldoorlogen zijn Halanzy en Musson slechts beperkt tot de productie van gietijzer, waardoor ze uiterst gevoelig zijn voor de conjuncturele stromen en onderhouden ze met moeite een min of meer reguliere activiteit. [...] Daar de installaties van Halanzy vrijwel vernietigd waren, stelden de managers van de fabriek direct een plan op voor de wederopbouw. Een gezonde financiële positie stelt hen in staat om een belangrijke banklening te verkrijgen. De twee hoogovens worden opnieuw in gebruik genomen in respectievelijk oktober 1920 en september 1921.

 

Na de herstart is het bedrijf in Halanzy erop uit om zijn ertsvoorziening op lange termijn veilig te stellen. Aan de belangrijke lokale vergunning van 146 hectare, die bevestigd werd in 1919, en aan de mijnbouwterreinen van het Groothertogdom Luxemburg voegt het in 1923 een deelname in het kapitaal van de mijnen van Saint-Pierremont, ten noorden van Briey in Lotharingen, toe. Het verwerft in het boekjaar 1926-1927 een vergunning voor rijke erts in Normandië.

 

Rond 1930 wordt de fabriek van Halanzy ,ondanks de inspanningen om te besparen op de kostprijzen en om de producten te verbeteren, zwaar getroffen door de recessie en probeert zij toenadering te zoeken tot een machtige industriële groep. Eind 1931 neemt de Société Jean Raty et Cie (Hoogovens van Saulnes) massaal deel aan het aandeelhouderschap door inschrijving op nieuwe aandelen van 1.800.000  F. Deze samenwerking levert geld op, maar is verre van het oplossen van alle problemen. Geroepen tot het doen van een uitspraak over liquidatie voor verlies van meer dan de helft van het aandelenkapitaal besluit de aandeelhoudersvergadering van 25 september 1935 om de activiteiten voort te zetten. In augustus 1931 wordt de enige nog functionerende hoogoven door een gebrek aan orders gedoofd. Deze zal nooit meer aangestoken worden.

 

In september 1939 wordt het bedrijf van Musson opgeslokt door de buurman van Halanzy, voortaan S.A. Minière et Métallurgique de Musson et Halanzy (met kapitaal van 18.000.000 F).

 

De mijnbouw van Halanzy behoudt nog enige activiteit gedurende de oorlog (1940-1945).

 

Op de 1ste april 1967 stopt de S.A.Minière et Métallurgique de Musson et Halanzy definitief met de productie van gietijzer en dooft haar laatste hoogoven. Hun klantenkring van kachelmakers, voornamelijk in l’Entre-Sambre-et-Meuse en de Franse Ardennen, had haar activiteit aanzienlijk verminderd als gevolg van een geleidelijke vervanging van steenkoolhaarden door verwarmingsapparaten op stookolie en gas. ... De fabriek van Musson wordt volledig ontmanteld. De exploitatie van de mijnbouw van Halanzy houdt daarentegen stand tot het eind van oktober 1978.*

 

*Bron : les Mutations de la sidérurgie

du XVIe siècle à 1960. –pp 171-192. Jean-Marie Yante.